Onze Nederlandse taal kan soms aanvoelen als een kronkelige cul-de-sac, die wordt overwoekerd door lelietjes-van-dalen, chrysanten en gardenia’s. Wat er verpieterd bij ligt, verdient onze meticuleuze aandacht. Alleen zo kunnen de vertrapte stengels zich weer fier oprichten.

 

Wat blijkt: achter het met mos begroeide muurtje gaan schatten verborgen. Frappante anakoloeten, gekmakende dithyramben en consciëntieus geconcipieerde uitnodigingen voor verrukkelijke diner dansants, gedrukt op Japans papier.

Soms stroopt de taal z’n mouwtjes op. Dan wordt er uitentreuren gevreten, gebrast en gebrald. Het Rotterdamse patois laat ook van zich horen in renaissancistische spreekkoren die heel wat verder gaan dan alleen maar het say-oeh-ah-Ed de Goeij.

 

Krachtpatserij met een klein hartje is het waar de Maas ongefilterd doorheen stroomt. Rotterdam is een ware woordenvolière waar exotisch pluimvee als de Cabanis’ loogbuulbuul, de acaciagaai en de Abessijnse specht, van heinde en verre aangevlogen, zijn onderkomen vond.

 

Laten we deze veelkleurigheid uit-en-te-na koesteren. Laat de taal dus geen naargeestige apenkooi worden, gooi open die linguïstische luiken! Hoe meer verbaal doorgaand verkeer en quatsch, hoe vlotter de doorstroming verloopt. Aan doodlopende straten heb ik sowieso een broertje dood.

Wat is er Rotterdamser dan de rotonde? Samenkomst en splitsing van wegen ineen? En mocht u toch de kluts kwijtraken, volg dan bij dezen welgemoed de minutieuze wegbewijzering.

 

Alles komt goed, insjallah!